De koelkastmagneten van mijn moeder

Mijn moeder heeft een ongezonde fascinatie voor koelkastmagneetjes ontwikkeld. Van die gruwels die je op vakantie in een toeristenwinkeltje koopt en met elke stap dichterbij huis lelijker worden.

In het begin had ze nog magneetjesmoraal. Alleen de plaatsen waar ze gereisd had mochten op de ronkende doors of fame.

Met de tijd werd ze steeds minder streng. Ze had, voor ze begon te sparen, al aardig wat landen afgestreept. Maar de karige koelkastdeuren vertelden wat anders. Dus besloot ze dat ook steden waar ze enkel ooit uit het vliegtuig gestapt was bij de trofeeën gevoegd mochten.

Het komt mijn moeder handig uit, dat ze getrouwd is met iemand die om de haverklap met een magneetje thuiskomt. Mijn vader is namelijk wereldreiziger. Hij spaart landen. En door zijn verzamelwoede tikt hij al bijna de 170 aan. Hij is een ander type verzamelaar, telt alleen de officiële landen, en hij vinkt ze niet af voor hij er op z’n minst centimeters eelt onder z’n voeten heeft gespaard.

Hij is dus vaak de hort op, en door de jaren nam hij geregeld op verzoek een magneetje mee. De verzameling dijde langzaam uit.

Maar dat was allemaal voordat m’n moeder haar principes wegmoffelde, als een pak vissticks achter in de vriezer. Had ik die dan? Hoor ik haar al zeggen.

Sinds enige tijd wil m’n moeder namelijk van elke stad op deze aardkloot, die zíj waardig acht, een kitscherig bewijs op d’r ijskast. Wie nu onze keuken binnen stapt wordt verblind door een Aardrijkskundekermis.

Rond die tijd leerde ze ook hoe Whatsapp werkt. Mijn moeder is vanaf dat moment ineens heel betrokken als ik in het buitenland ben. Ze appt me tot vervelends toe. Ik lees de teleurstelling tussen de regels, als ik naar een plaats ga ‘die ze al heeft’.

Nu is ze een maand in haar uppie in Azië. Ze begon in Hong Kong, want daar was ze nog niet geweest. Ik durf niet te zeggen in hoeverre haar verzamelzucht een rol speelde in dat besluit.

De eenzaamheid van dennenappels

Nu je er even niet bent, zie ik jou overal in ons huis. Het is gek hoe aanwezig iemand kan zijn door zichzelf onzichtbaar te maken.

Je bent twaalf dagen weg, en je mag geen contact met de buitenwereld. Ik besluit meer alleen thuis te blijven dan ik gewend ben. Ik wil voelen hoe het is om eens met mezelf te zijn.

Meteen begin ik dingen te zien waar ik anders over heen kijk. Zo heb je allerlei oplossinkjes bedacht om het huishouden makkelijker te maken. Of vooral; om het aan mij als iets leuks te presenteren.

Dan valt mijn oog op de ordner, of klapper zoals ik dat steevast noem, die je aanschafte voor mijn rondslingerende bonnen. Ik zie nu pas dat je op de kaft een hartje van de i van in mijn naam hebt gemaakt.

Ook in de rest van het huis kom ik je tegen. Ik steek alle planten in nieuwe aarde, een poging om ze te reanimeren. Uit elke bloempot vis ik half-opgebrande wierrookstaafjes en soms duikt er een edelsteen op. Ik stoot m’n teen wel drie keer tegen een gieter en vraag me af of het echt nodig is, in elke kamer een gieter. Voor jou zijn we allemaal even belangrijk in huis, dus stop je stenen bij planten in de hoop dat ze opleven, en zorg je dat er altijd water in de buurt is.

Meestal laat ik de elektronica voor wat het is. Als er geen geluid uit de speakers komt wacht ik tot jij je ermee bemoeit, maar nu moet ik dat zelf uitpluizen. Mijn ogen volgen een jungle van kabels. Ik weet nog hoe trots je vorige week was op ons nieuwe 3d-sound. Dat houdt in dat je een paar oude computerspeakers extra hebt neergezet op verschillende plekken in het huis.

Ik kijk naar het plafond en zie de draadjes die naar beneden bungelen, omdat de luidsprekers niet draadloos zijn. Een andere kabel doorkruist de gang. Soms struikel ik erover. Ik zou ik geen ander geluidssysteem willen.

In de keukenkast kijk ik naar het plankje dat jij tot ontbijtproductensectie doopte. Mijn vijzel is gevuld met ongekookte bonen, je kon er geen potje voor vinden. Ernaast staat een fles sesamolie. Je was van plan om dat elke ochtend te snuiven. Een Auyurvedisch ritueel. Ik heb het je nooit zien doen maar de fles vertelt me dat je je aan je woord houdt.

Ik loop naar boven en ga jouw inloopkast in: een zelfgebouwd hok met een paar stapels gestolen kratten van de Appie. En in elke krat liggen, zoals jij dat altijd zegt, bundeltjes kleren. Elk kledingstuk heb je opgerold en met een elastiekje omgebonden. Ik pak een shirt op en vraag me af:

Wat doet meer pijn, nooit weten hoe het is om zo dichtbij iemand te leven, of iemand die zo dicht bij je leeft te moeten missen?

Zo meteen kom je thuis met een cadeautje. Het zijn twee dennenappeltjes. Samen kijken we naar de ingenieuze architectuur van deze natuurfenomenen. Dit kan een houtkunstenaar toch nooit evenaren? Je zet ze op de plank naast een speaker en zegt erbij dat je niet kon wachten om ze daar te zetten. Eentje is groot, eentje klein, eentje ben ik en eentje ben jij.

Thanks, nu heb ik nóg iets om naar te staren als je de volgende keer weg bent.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarom de toko niet mag verdwijnen

De jongen aan het tafeltje langs de muur eet Nutella. Hij lepelt het zo uit de pot. Die is bijna leeg trouwens, dat doet ie goed. De jongen staat op en begint te filmen. De ingelijste bordjes nasi Rames aan de muur, de blikjes frisdrank en de zoete koek achter de glazen vitrine. Zal wel een toerist zijn.

Hij staat op en rekent af wat hij at voor de pot Nutella op tafel verscheen. De eigenaresse van de toko vraagt waar hij vandaan komt, en er ontstaat een gesprek. Hij komt uit Jakarta, het is de derde keer dat hij hier is, vloog met Garuda en hij ontmoet om de haverklap Indonesische mensen in de stad. Ik kan alles volgen, want ik heb een talenknobbel en soort van tweetalig opgevoed. Als we iets niet mochten thuis, en er was bezoek, kregen we dat in het Indonesisch te horen. Ook praten over anderen (in hun bijzijn), vloeken en de financiële balans opmaken gebeurde in het Maleis.

De jongen is weer gaan zitten. Ik zie nu dat hij zijn pink in de lucht houdt als hij eet. Hij draagt een kameelkleurige trenchcoat en zit recht als een stok. Ik koester dit beeld ineens heel erg.

En ik vraag me af hoe lang ik nog Indonesische gesprekken om me heen zal horen. Moet ik daar straks voor naar de Pasar Malam? Is dat überhaupt nog een ding? Is de toko met uitsterven bedreigd? Hoeveel plekken bestaan er nog waar zure eieren nog zonder pardon in een mandje op de toonbank staan. Wie durft de magnetron nog zonder gene in het zicht te plaatsen? Komen er nog eettentjes bij waar de vale batikdoeken op tafel liggen en de waaiers aan de muur, de eeuwige orchidee..

Ik kijk naar buiten. De Ferdinand Bolstraat. Een nieuwe Starbucks, nog een filiaal van G’s, weer Vinnies, ook een Loetje. Drie winkels die lijken op Things I like Things I love. De eenheidsworst in volle glorie. Zelfs de aanklacht tegen de eenheidsworst is nu een stukje ervan geworden.   

Dan de toko, daar zijn er niet twee hetzelfde van. In elke stad waar ik kom zoek ik er een op. Nergens proeft de Tjendol hetzelfde. Ik kom er ook omdat ze er op dezelfde manier in hun sloffen vooruit schuifelen als in Indonesië. Omdat het er ruikt naar en klinkt naar thuis. Zegt het niet genoeg dat we het Indonesische woord senang in ons woordenboek hebben geadopteerd?

Ik pak m’n telefoon en maak foto’s van de vitrine. Ote ote, risolles, martabak, kip loempia, Kue lapis, Kue Dadar, spekkoek, spons cake en Kue mangok. En ook de muur met ingelijste gerechten. Alles leg ik vast. Voor het nageslacht.

Stress

Ik kijk naar beneden en ik zie dat ik mijn hakken nog aanheb. Te laat om ze in te auto te gooien. Dan maar een stijlvol entree. Dan maar doen alsof niet dondersgoed weet dat ik me als oud-student sober hoor te kleden.

“Do you know where the female area is?” Een vriendelijke stem antwoordt in het Nederlands en wijst in de verte. Ik trek aan de banden van mijn weekendrugtas en wil mijn pas vervolgen. Maar ik struikel over mijn blokhakken en ik donder meteen neer. M’n knieën raken frontaal de tegels. Mijn groene legertas ligt bovenop me, en onder m’n schouder nog een tas.

Achter me stopt het gesprek dat twee theedrinkende Hollandse vrouwen voerden. De vrouw van daarnet kijkt ernstig. “Dat moet voor jullie echt heel debiel uitzien”, grap ik en ik wacht tot ze beginnen te lachen. Ook zij zijn oud-studenten en het mededogen is groter dan de verleiding om me uit te lachen dus het blijft stil. Misschien vind ik dat nog erger, gaat er door me heen.

De wegwijzende vrouw wil me overeind helpen. “Nee lukt wel”, zeg ik”. Ik krabbel op, stof m’n broek af en recht mijn klevende rug. Op een bankje verderop zie ik Sol Wortelboer, of iemand die verdomd op hem lijkt, zitten.

Het Vipassana-centrum ligt op een landgoed met een bloesemboom en aangeharkte paden. Het ruikt naar dennennaalden, en die ken ik al. Ik ben op een landgoed zonder wilde apen, pauwen en vogels die krullen in de lucht. Ik moet even schakelen. Dit is België, natuurlijk is het anders dan de eerste keer.  

De witte bordjes met blauwe letters herken ik wel meteen, die zijn overal ter wereld hetzelfde. Ik loop de deur binnen met het bordje ‘Dining hall’. Aan een wankel bureautje zit een vrouw met een pluk dun haar en Sultana-groene Crocs aan haar voeten. Haar trillende kin bungelt boven mijn inschrijfformulier. In handen-en-voeten Engels handelt ze de formaliteiten af.

In een kratje op de tafel naast haar ligt beddengoed. Ik zoek een hoeslaken en vraag haar om hulp. Ze wendt zich in het Frans tot een vrouw met een korte Parijse coupe en een paarse bloementattoo in haar nek. Ik vraag me af tot waar die loopt. Ze vraagt wat ik wil en ik geef aan dat ik een hoeslaken wil lenen, waarop ze me bits toe bijt dat ik die zelf mee had moeten nemen.

Het bloed stijgt meteen naar m’n hoofd. Hoe kan het dat zij, duidelijk een oudgediende – en belangrijk, want ze heeft sleutels in haar handen – om zo iets kleins al haar geduld verliest? “Djesus, denk ik”, en ik voel dat ik rebels word. “Well, that wasn’t in the e-mail. It said ‘duvet’, not..” zeg ik aarzelend en slik de rest van de zin in. We kijken elkaar nog een seconde aan maar er gebeurt niks. De vrijwilligster is nu opgestaan en schuifelt naar de krat toe. “Feel free to borrow what you need”, zegt ze met een aandoenlijke blik.

Ik loop in opperste concentratie het kiezelpad af dat eindigt bij de slaapvertrekken. De entree is ruim, de tegelvloer bezaaid met schoenen. Sneakers groot genoeg voor een familiezak wortels, bruine pantoffels, reuze Hawaiiana’s. Mannenschoenen. Fuck, ik ben verkeerd. Uit een van de kamers klinken zware stemmen. In de gang bungelt een wit gordijn aan een waslijn. Daarachter begint natuurlijk de vrouwenafdeling. De komende dagen fungeert het kleedje als de strenge scheidslijn tussen man en vrouw.

Snel keer ik om en loop ik om het gebouw heen. Ik heb kamer 006, op de begane grond. Ik open de deur en zie nog twee bedden. De beste is al bezet. Ik gooi m’n spullen op het middelste bed, trek snel m’n hakken uit en stop ze haastig in de weekendtas. Drie dagen met niemand praten. Niemand aankijken, helemaal niks. Ik kan me geen beter vooruitzicht voorstellen.