shinta lempers

Blog

Stress

Ik kijk naar beneden en ik zie dat ik mijn hakken nog aanheb. Te laat om ze in te auto te gooien. Dan maar een stijlvol entree. Dan maar doen alsof niet dondersgoed weet dat ik me als oud-student sober hoor te kleden.

“Do you know where the female area is?” Een vriendelijke stem antwoordt in het Nederlands en wijst in de verte. Ik trek aan de banden van mijn weekendrugtas en wil mijn pas vervolgen. Maar ik struikel over mijn blokhakken en ik donder meteen neer. M’n knieën raken frontaal de tegels. Mijn groene legertas ligt bovenop me, en onder m’n schouder nog een tas.

Achter me stopt het gesprek dat twee theedrinkende Hollandse vrouwen voerden. De vrouw van daarnet kijkt ernstig. “Dat moet voor jullie echt heel debiel uitzien”, grap ik en ik wacht tot ze beginnen te lachen. Ook zij zijn oud-studenten en het mededogen is groter dan de verleiding om me uit te lachen dus het blijft stil. Misschien vind ik dat nog erger, gaat er door me heen.

De wegwijzende vrouw wil me overeind helpen. “Nee lukt wel”, zeg ik”. Ik krabbel op, stof m’n broek af en recht mijn klevende rug. Op een bankje verderop zie ik Sol Wortelboer, of iemand die verdomd op hem lijkt, zitten.

Het Vipassana-centrum ligt op een landgoed met een bloesemboom en aangeharkte paden. Het ruikt naar dennennaalden, en die ken ik al. Ik ben op een landgoed zonder wilde apen, pauwen en vogels die krullen in de lucht. Ik moet even schakelen. Dit is België, natuurlijk is het anders dan de eerste keer.  

De witte bordjes met blauwe letters herken ik wel meteen, die zijn overal ter wereld hetzelfde. Ik loop de deur binnen met het bordje ‘Dining hall’. Aan een wankel bureautje zit een vrouw met een pluk dun haar en Sultana-groene Crocs aan haar voeten. Haar trillende kin bungelt boven mijn inschrijfformulier. In handen-en-voeten Engels handelt ze de formaliteiten af.

In een kratje op de tafel naast haar ligt beddengoed. Ik zoek een hoeslaken en vraag haar om hulp. Ze wendt zich in het Frans tot een vrouw met een korte Parijse coupe en een paarse bloementattoo in haar nek. Ik vraag me af tot waar die loopt. Ze vraagt wat ik wil en ik geef aan dat ik een hoeslaken wil lenen, waarop ze me bits toe bijt dat ik die zelf mee had moeten nemen.

Het bloed stijgt meteen naar m’n hoofd. Hoe kan het dat zij, duidelijk een oudgediende – en belangrijk, want ze heeft sleutels in haar handen – om zo iets kleins al haar geduld verliest? “Djesus, denk ik”, en ik voel dat ik rebels word. “Well, that wasn’t in the e-mail. It said ‘duvet’, not..” zeg ik aarzelend en slik de rest van de zin in. We kijken elkaar nog een seconde aan maar er gebeurt niks. De vrijwilligster is nu opgestaan en schuifelt naar de krat toe. “Feel free to borrow what you need”, zegt ze met een aandoenlijke blik.

Ik loop in opperste concentratie het kiezelpad af dat eindigt bij de slaapvertrekken. De entree is ruim, de tegelvloer bezaaid met schoenen. Sneakers groot genoeg voor een familiezak wortels, bruine pantoffels, reuze Hawaiiana’s. Mannenschoenen. Fuck, ik ben verkeerd. Uit een van de kamers klinken zware stemmen. In de gang bungelt een wit gordijn aan een waslijn. Daarachter begint natuurlijk de vrouwenafdeling. De komende dagen fungeert het kleedje als de strenge scheidslijn tussen man en vrouw.

Snel keer ik om en loop ik om het gebouw heen. Ik heb kamer 006, op de begane grond. Ik open de deur en zie nog twee bedden. De beste is al bezet. Ik gooi m’n spullen op het middelste bed, trek snel m’n hakken uit en stop ze haastig in de weekendtas. Drie dagen met niemand praten. Niemand aankijken, helemaal niks. Ik kan me geen beter vooruitzicht voorstellen.