shinta lempers

Blog

In de trein zonder bestemming

Ze haalt een fles Markant cola uit haar tas. De zak met tien witte bolletjes stopt ze er in, samen met de fles waar ze net uit dronk. Het is een fietstas, zie ik nu. Ik kan de geur die ze uitwasemt niet beschrijven. Een vlaag ervan rook ik altijd als ik de trap op liep bij mijn gitaarleraar thuis.

De achteloosheid waarmee hij mensen ontving te midden van totale verloedering en smerigheid was moeilijk te bevatten, gezien hoe keurig en vriendelijk hij in de omgang was. Soms spiekte ik even de keuken in als ik naar het zoldertje klom, of ik keek verwonderd om me heen als hij even mn gitaar stemde. Ik vind het fascinerend. Sommige mensen zijn zo diep afgedaald in de krochten van hun passie, dat ze de wereld om hun heen niet meer helder zien.

Ik ben op de plek schuin tegenover mn eerst gekozen stoel gaan zitten. Het scheelt. Ik zie nu pas dat de man naast wie ik net zat, die nu tegenover me zit, in slaap gevallen is. Zijn ogen zitten half dicht, zijn mond opengesperd. In zijn hand klemt hij een telefoon, zo eentje die dealers gebruiken als wegwerp. Hij ziet eruit alsof hij dood is. Ik ben nog vergeten te vertellen dat de vrouw om de haverklap gromt. Het is een diepe ijzige grom, hij komt van ver en hij heeft iets tragisch.

Ze beangstigt me, deze vrouw. Haar handen zijn immens. Ik stel me voor dat ze uit het niets op staat en me wurgt. Ze heeft vast gezien dat ik mijn sjaal voor mn neus en mond gebonden heb. Dat ik van haar walg. Dat ik niet het respect kan opbrengen om haar ongewassen verloren lijf, haar door god vergeten ziel, in het geniep te haten. Ze heeft het recht niet maar ik zou het wel begrijpen.

Het is niet de eerste keer dat ik mensen in de trein tref, die zich gewonnen lijken te hebben gegeven. Laatst was er een man, zelfde verhaal. Hij viste frieten uit de prullenbak op het perron. Hij stapte om drie in de nachttrein en toen we op het eindstation arriveerden keek hij verward om zich heen, en stapte toen opnieuw in. Ook hij stonk. Ook hij had zijn lijf laten gaan, en moest het nu uit alle macht meezeulen. Ook hij beangstigde me.

Of misschien ben ik bang dat het leven mij alsnog in de minst gunstige gedaante treft en dat ik eindig zoals zij, alleen in treinen vol mensen die ergens naartoe gaan, zodat het niet opvalt dat je zelf geen bestemming hebt.

shinta lempersComment